De avond valt als ik de stadsbus richting het centrum binnenstap. Het is spits en de touringcar is afgeladen met mensen. Gek genoeg vind ik het binnenstappen van een overvolle bus het fijnste aan wonen in een stad.

Anders dan in een dorp kennen de meeste mensen in de stad mekaar niet persoonlijk. Geen vermaarde gezichten, slechts een mengelmoes van onbekende individuen. Medepassagiers die bijkans boos worden, omdat je ze te lang aankijkt. Het stadsleven vraagt om een nonchalante omgang met vreemden. Niemand zit hier te wachten op oogcontact, niemand die snakt naar smalltalk. Nee, een stedeling streeft naar afzondering in de massa en dat vind ik prachtig.

Dagelijks kom je als stedeling mensen tegen die je daarna nooit meer zult zien. Die anonimiteit maakt het mogelijk dat mensen zich telkens in andere kringen kunnen begeven zonder dat iemand het merkt. Want wie zijn huisdeur achter zich sluit, wordt plotseling een silhouet in de straat, een toevallige passant, een naamloze. Het fijne aan die anonimiteit is dat iedereen een raadsel blijft. Iedereen kan iedereen zijn. Deze vrijheid om te doen en laten wat je wilt en het zijn wie je wilt zijn, karakteriseert voor mij de aantrekkingskracht van een stad.

Een stad is niets meer dan een samensmelting van heterogene individuen. Of zoals men vandaag de dag graag zegt: ‘diversiteit’. En ook al staan we sociaal gezien ver van elkaar af, in de stad delen zakenman, moslim en atheïst hetzelfde bankje in de bus.

Advertisements